Tcha Limberger

Press

Interview – Kalotaszeg Trio – Kwadratuur

26.09.2010 – Interview with Pieter Van den Brande at Sfinks Mixed festival 2010
Tcha Limberger – Een andere muzikant moet al heel vreemde toeren uithalen voordat ik hem niet kan volgen

De blinde violist Tcha Limberger speelde op zondag 1 augustus in de Clubtent op Sfinks Mixed. Oorspronkelijk zou dat een concert worden met zijn Budapest Gypsy Orchestra, maar om allerlei redenen werd het toch het Kalotaszek Trio.

Je speelt in heel wat verschillende ensembles: the Budapest Gypsy Orchestra, Kalotaszeg Trio, Va Fan Fahre en je werkte zelfs samen met Aka Moon. Wat zijn de voor- en nadelen van het spelen in zulke uiteenlopende projecten?

Ik zal beginnen met de nadelen, dan kan ik met iets positiefs eindigen. Een eerste nadeel is dat ik heel veel dingen moet onderhouden en dat dat eigenlijk niet gaat. Techniek, vriendschappen, het financieel onderhouden van medemuzikanten die voor hun broodwinning op mij aangewezen zijn, enzovoort. Het technische aspect is daarbij het moeilijkste. Als ik vanavond met Kalotaszek Trio speel en morgen met mijn vader (Vivi Limberger, zanger en gitarist, nvdr), dat gaat nog. Die muziek ligt niet te ver uit elkaar maar ook niet te dicht bij elkaar. Maar vanavond een Django Reinhardt-gig oude stijl en morgen een optreden met mijn gitaarduo (een nieuw project waarbij we heel vrije improvisatie doen) dat is al heel wat moeilijker. Soms ben ik dan nog zo in de code van de Manouche-folklore dat ik mij er moeilijk van kan loswrikken. Als dat dan eenmaal gelukt is, heb ik geen zin meer om ernaar terug te keren voor een volgend concert.

Een groot voordeel van al die verschillende projecten is dat ik zoveel dingen met zoveel mensen kan delen. Niet iedereen heeft het geluk dat hij in verschillende formaties de muziek die de medemuzikanten echt graag spelen kan delen met die mensen. Voor mij geeft dat heel veel voldoening. Ik denk niet dat ik het zou volhouden met één ding.

Nu heb ik meer nadelen dan voordelen gegeven. Ik ben stilaan aan het uitzoeken hoe ik het aantal groepen toch enigszins kan beperken. Het zou kunnen dat ik binnen twintig jaar alleen nog muziek speel die ik zelf gecomponeerd heb. Ik heb eigenlijk hetzelfde voorgehad met instrumenten: ik speelde gitaar en bas en klarinet en viool. Op een bepaald moment werd ik gewoon.

Kan je wat meer vertellen over de muziek die je vandaag met het Kalotaszek Trio gespeeld hebt? Hoe ben je op dat repertoire uitgekomen?

Ik heb Hongaars geleerd met een heel specifieke doelstelling: ik wou de Magyar Nóta op een correcte manier uitvoeren. De Magyar Nóta is muziek die geschreven werd door Hongaren vanaf het begin van de 19de eeuw en die altijd door zigeuners werd gespeeld. Het is zeer populair geweest, ook buiten Hongarije. Bij de West-Europese zigeuners is het zeer bekend maar het probleem is dat zij geen Hongaars kennen. Ze spelen dus een soort van herinnering aan die muziek. Voor mij gaat het niet om het begrijpen van de – dikwijls zeer onnozele – teksten, maar om het ritme ervan.

In Hongarije aangekomen, vastbesloten om Magyar Nóta te gaan studeren, ben ik erachter gekomen dat die muziek, zeker bij de jongeren, nogal negatieve connotaties heeft. Men associeert het met muziek voor toeristen en oude mensen, met zeemzoeterige smartlappen, maar ook met zuipen op het einde van een trouwfeest. Bartók heeft trouwens op een bepaald moment aan de alarmbel getrokken, omdat de Magyar Nóta zodanig populair werd dat de Hongaar zijn eigen volksmuziek begon te vergeten. Maar goed, ik kwam er dus achter dat de muziek die ik wilde spelen eigenlijk niet meer zo populair is en dat bovendien het niveau van de muzikanten die haar nog wel spelen niet meer zo hoog is als op de opnames die ik had gehoord.

En toch besliste je om het anderhalf jaar te gaan studeren.

Ja, maar ondertussen zei men mij: “Ga toch naar Transsylvanië, want daar is de echte Hongaarse traditie nog levend.” Zo gezegd zo gedaan, ik ging naar Kalotaszek, een regio tussen de Hongaarse grens en Cluj. De muzikanten bleken daar veel sympathieker dan de Magyar Nóta-mannen en de muziek bleek ook wat gemakkelijker om aan te leren, zodat ik na een jaar of drie het hele repertoire onder de knie had. Blijkbaar speelde ik het ook op een manier die ze daar konden appreciëren en bovendien houden de Transsylvanen wel van Magyar Nóta, dus keken ze een beetje op naar mij omdat ik ook in die stijl kon spelen. Ik heb dus een paar jaar midden in die muziek gezeten: dansen begeleiden, uren aan een stuk zingen; dat zijn dingen die bij ons niet meer bestaan, feesten waarop nog echt gezongen wordt. De muziek die ik vandaag gespeeld heb, is dus nog levende volksmuziek, met allerlei invloeden: Roemeense, Hongaarse en zigeunermuziek. De Magyar Nóta daarentegen is populaire muziek met een volks karakter. Die speel ik met het Budapest Gypsy Orchestra.

Welke rol speelt vernieuwing als je zulke traditionele muziek speelt?

Ik vind dat ik als buitenlander niet in de positie ben om die muziek te vernieuwen. Ik probeer dus om de muziek zo traditioneel mogelijk te spelen en om ze naar buiten te brengen, zodat anderen er ook van kunnen genieten. Als ik iets nieuws wil doen, dan doe ik dat wel met mijn gitaarduo of met Aka Moon. Fusion vind ik bijvoorbeeld niet interessant. Dat neemt niet weg dat het leuk kan zijn en voor toffe ontmoetingen kan zorgen, maar ik denk niet dat er veel nieuwe dingen ontstaan zijn door zomaar twee stijlen bij elkaar te kappen. Ofwel speel je volgens de traditie, ofwel doe je echt iets nieuws, waarbij je uiteraard wel al je invloeden kan laten meespelen.

In een interview met Goran Bregovic las ik dat veel van zijn muziek geïnspireerd is op zigeunermuziek en later weer wordt opgepikt door zigeuners. Hij zegt daarover: “Ik ben blijkbaar de man die songs kan schrijven. Zigeuners kunnen dat niet maar ze spelen wel geweldig.” (DS, 24/07/2010)

Bregovic is in mijn ogen eigenlijk een muzikale teef. Zijn muziek is meer plagiaat dan compositie. Aan de andere kant heeft hij wel gelijk. Zigeuners in Roemenië spelen meestal Roemeense muziek, zigeuners in Hongarije spelen over het algemeen Hongaarse muziek en Servische zigeuners gaan geen Kroatische muziek spelen, omdat ze daarmee hun brood niet zullen verdienen. Als een zigeuner uit Transsylvanië iets componeert, zal dat uiteraard niet ineens klinken als flamenco. Die mens zal componeren vanuit zijn idioom. Meestal zijn dat ook geen geschoolde mensen die allerlei technieken in huis hebben. Ze gebruiken de taal die ze kennen. Zigeuners die componeren: het bestaat, maar het zal eerder een toevoeging aan het repertoire zijn dan een vernieuwing ervan.

Ik vind de term ‘zigeunermuziek’ eigenlijk ook zeer veralgemenend en volgens mij bestaat het ook niet. Met die uitspraak krijg ik waarschijnlijk veel zigeuners op mijn dak. Oké, er is een repertoire gezongen in het Romanes, de taal van de Roma, maar denk je nu echt dat zigeuners die melodieën gemaakt hebben? Nee, dat zijn ook gewoon Roemeense melodieën die een beetje aangepast zijn omdat de Romanese tekst er anders niet op kan. En in een stijl gespeeld die zigeuners meer aanspreekt.

Visuele communicatie is vaak erg belangrijk in muziek, zeker in improvisatorische situaties. Hoe vang je het gebrek daaraan op?

Aan de ene kant hangt dat heel erg af van de muziek die je speelt. In mijn gitaarduo, dat bijna uitsluitend om improvisatie draait, gebeurt alles puur auditief. Daar werken we met zuiver muzikale cues. Bij het Budapest Gypsy Orchestra ben ik de orkestleider en kijken de andere muzikanten naar mijn boog. Ook fysieke aanwijzingen kan ik gebruiken. Als ik me in het Kalotaszek Trio naar de anderen toedraai, dan weten zij dat er een break komt. Doe ik dat niet, dan spelen we verder zonder break. In andere situaties, wanneer bijvoorbeeld een andere violist het orkest aanvoert, zie ik zijn boog niet, maar ken ik wel de volledige code. Ik weet wat er kan gebeuren, dus hij moet al heel vreemde toeren uithalen voordat ik hem niet kan volgen. Als je tijdens het spelen voorbereid bent op alles wat er kan gebeuren, zit je tamelijk veilig. Het kan soms helpen, maar eigenlijk moet je niet kijken.

PIETER VAN DEN BRANDE